Reglementen

Art. 15 ONDERWERPING AAN DE REGLEMENTEN

Naast de sanctiebepalingen op te leggen door de Sportcommissaris of wedstrijdleider en het mogelijk vervallen van wedstrijdpunten, is het BSAC bevoegd bij geconstateerde overtreding van de (technische) reglementen na een onderzoek na afloop van de wedstrijd, de betreffende coureur maximaal 96 strafpunten toe te kennen. Bij herhaling van een overtreding van de technische reglementen kan de inschrijving van een rijder voor het hele seizoen worden geweigerd. Wanneer een deelnemer weigert mee te werken aan een technische nacontrole kan deze de volgende wedstrijd niet meer deelnemen met deze auto in dezelfde klasse. Deelname is hierna alleen nog mogelijk in een hogere klasse. Als het de laatste wedstrijd van het kampioenschap betreft zullen de punten van deze wedstrijd komen te vervallen en kan deze wedstrijd niet als schrapresultaat gebruikt worden.

 

Art. 16. EISEN WAARAAN DE VOERTUIGEN MOETEN VOLDOEN

1. De auto's moeten zijn voorzien van een deugdelijk bevestigde, dubbele rolbeugel, incl. diagonale schoor overeenkomstig Annex J, art. 253, tekening 3 t/m 6 (tezamen met hun verbindingen rolkooi genoemd) zoals omschreven in de Annex J, Hoofdstuk 8. Minimale eisen t.a.v. de rolbeugel: koudgetrokken, naadloze koolstofstalen buis van minimaal 38 x 2,5 mm. of 40 x 2 mm. Daksteunen en overige versterkingen kunnen worden aangebracht zoals afgebeeld in de Annex J tekening 253 7 t/m 17. Voor de Standaardklasse en Toerwagenklasse geldt eveneens Annex J Artikel 253 punt 8.2.2.2 en punt 8.2.2.3 Indien de breedte van het dak meer dan 50 cm bedraagt, dient een extra pijp in de lengterichting of diagonaal ter versteviging te worden aangebracht. Wanneer de hartlijnen van de voorste dwarsverbinding van de rolkooi meer dan 100 cm. verwijderd zijn van de dwarsverbinding boven/schuin achter de rijder, dient een extra versteviging in de vorm van een kruis vanuit de hoeken gelast te worden. In dat geval hoeft er geen versteviging in de lengterichting gemonteerd te worden. Het materiaal en de dikte van deze verstevigingen dient hetzelfde te zijn als van de rolbeugel.

2. Minimaal moet een deugdelijke vier-puntsgordel gemonteerd zijn. Deze moet, op vier afzonderlijke punten worden vastgezet met bouten van minimaal 10 mm, kwaliteit 8.8. en dient gemonteerd te worden conform annex J tekening 253-42.

3. Het uitlaatgeluid mag ten hoogste 100dB(A) bedragen, gemeten met de geluidsdrukmeter geplaatst op de stand A en "Slow" onder een hoek van 45 graden en op 50 cm. afstand van de uitlaatopening terwijl de motor 4500 tpm draait. Auto's waarbij tijdens de technische keuring voorafgaande aan de wedstrijd het geluid is gemeten en akkoord bevonden, worden, wanneer bij nacontrole de bovenstaande norm wordt overschreden, uit de uitslag genomen. Teneinde goede controle mogelijk te maken dient het laatste deel van de uitlaat horizontaal te lopen.

4. De wagens moeten voorzien zijn van een gescheiden remsysteem. De remwerking mag op geen enkel wiel uitschakelbaar zijn.

5. Elke carburateur moet een aparte veer hebben die de gasklep sluit.

6. Sierlijsten, wieldoppen, koplampen, clignoteurs, ruiten en achterlichten moeten verwijderd zijn, evenals onnodige brandbare onderdelen zoals bekleding.

7. Het gebruik van tractorbanden, kettingen, dubbellucht en voorwerpen op of in de banden is niet toegestaan.

8. Aan de bestuurderszijde(n) en aan de voorzijde moet een perspex raam of een andere doorzichtige constructie van bijv. deugdelijk 3 mm. gaas of hekwerk met max. openingen van 4 cm zodanig gemonteerd zijn of een raamnet conform Annex J Art. 253 11 Raamnetten, dat nimmer een hand of arm naar buiten gestoken kan worden. Zulks op straffe van artikel 25.C. Getint perspex waardoorheen de bestuurder onzichtbaar is, is niet toegestaan. Deze constructie moet zowel van binnen als van buitenaf te openen zijn.

9. Het motorcompartiment moet middels een metalen gesloten wand van minimaal 1 mm dikte volledig van het bestuurderscompartiment (= de ruimte tussen schutbord en achterste rolbeugel) afgescheiden worden. Zaken als koelers en/of accu's, benzinetanks of andere reservoirs, alsmede benzinepompen en/of filters, mogen zich nimmer in het bestuurderscompartiment bevinden en dienen er middels een metalen schot van te worden afgeschermd. Iedere directe of indirecte ontluchting dient voorzien te zijn van een opvangtankje.

10. Het startnummer met zwarte cijfers van tenminste 20 cm. hoogte, moet duidelijk aan beide zijden op een witte, ondoorzichtige ondergrond met afmetingen van h=20cm en br=8 cm. per cijfer. Het startnummer dient te zijn aangebracht aan de achterzijde van de hoofdrolbeugel achter de bestuurdersstoel voor de sprintklassen zoals getekend in Annex J, tekening 290-5 en in de overige klassen achter de hoofdbeugel achter de bestuurdersstoel op het dak. Het startnummer moet onmiddellijk voor de start van de wedstrijden aan beide zijden duidelijk zichtbaar zijn aangebracht op een van ronde hoeken voorziene enkele plaat die nimmer gevaar kan opleveren voor anderen of de deelnemer zelf. Tevens moet aan de voorzijde van de auto het startnummer worden aangebracht ter grootte van minimaal 10x5 cm.

11. Onnodig uitstekende delen, zowel binnen als buiten de wagen zullen moeten worden verwijderd. De evt. afscherming van zowel voor-, zij- en achterkant mag nooit buiten de wielen steken en moet worden voorzien van ronde hoeken met een afrondingsstraal van ca. 10cm.

12. Het is verboden om losse delen of ballast in de cabine of op de wagen mee te voeren tijdens de manches.

13. De bestuurdersstoel moet stevig vastgezet zijn en voorzien zijn van een hoofdsteun, welke, indien de bestuurdersstoel verstelbaar is, één geheel met de stoel dient te zijn. Indien een kunststof kuipstoel is gemonteerd, mag deze geen verstelbare rugleuning hebben en dient deze middels een metalen raamwerk, dat de gehele stoel inclusief hoofdsteun omsluit, op de bodem, op minimaal vier punten, bevestigd te worden. (zie Annex J tek. 290-6, bevestiging minimaal A+B) Ook de hoofdsteun dient van boven deugdelijk aan het frame gemonteerd te zijn, zie Annex J tek.290-6-C.

14. De hoofdstroomschakelaar moet duidelijk worden aangegeven door middel van een sticker met daarop een bliksemschicht en zowel van binnen als van buiten bediend kunnen worden. De buitenbediening zal op het lage gedeelte van het voorraam binnen de contouren van de auto gemonteerd zijn en de sticker zal binnen een straal van 5 cm. van de bediening gemonteerd zijn. (zie Annex J tek. 290-7)

15. De brandstoftank moet op een afdoend beveiligde plaats zijn opgesteld en moet vast zijn met de wagen. De tank mag zich niet in de bestuurderscabine bevinden, en moet daarvan gescheiden zijn door een brandscherm. De maximale inhoud mag de 20 liter niet te boven gaan. De benzinetank moet FIA goedgekeurd zijn of in metaal te worden uitgevoerd en voorzien zijn van een degelijke sluiting en ontluchting naar beneden. De ontluchtingsleiding dient voorzien te zijn van een terugslagklep. Uit milieuoverwegingen mag als koelmiddel alleen water of het milieuvriendelijke Mono Propyleen Glycol gebruikt worden.

16. Er moet een extra beveiliging aanwezig zijn op alle leidingen om risico's van beschadiging (stenen, corrosie, breuk van mechanische delen enz.) tegen te gaan. Bovendien moeten de brandstofleidingen die zich in het bestuurderscompartiment bevinden van metaal zijn vervaardigd of een metalen beschermlaag hebben.

17. Als brandstof voor de auto's mag alleen de in Nederland langs de openbare weg verkrijgbare handelsbenzine of diesel voor motorvoertuigen worden gebruikt. De organisator heeft het recht deelnemers te verplichten gebruik te maken van door de organisator beschikbaar gestelde brandstof. Per evenement zal de methode van controleren nader bekend gemaakt worden. Tegen de door de TC gehanteerde methode van benzinecontrole is geen protest mogelijk.

18. Auto's met de aandrijving op meer dan twee wielen worden uitsluitend in de Toerwagen- en Superklasse toegestaan. Indien de tussenas of ketting zich in het bestuurderscompartiment bevindt, dient deze door een metalen afdekplaat van 3 mm dikte afgeschermd te worden. Bovendien moet deze tussenas aan weerszijden van alle kruiskoppelingen middels een nauw sluitende cirkel of Uvormig profiel met minimale afmetingen van 15 x 5 mm., deugdelijk aan het chassis of het frame bevestigd zijn.

19. Bij alle auto's moet het bestuurderscompartiment van een dichte metalen bodem en dak zijn voorzien welke d.m.v. schetsplaatjes deugdelijk aan bodem- en dakconstructie gemonteerd dient te zijn. Minimale dikte staal: 0,8 mm., aluminium 1,8 mm. In de bodem zullen maximaal 2 gaten met een doorsnede van 6 cm. aanwezig mogen zijn. Eigenbouw auto's moeten 2 dwarsverbindingen van 30/30 of ø 30 hebben waarop de stoel bevestigd is. Daarnaast dient voor en achter de stoel nog een extra dwarsverbinding gemonteerd te zijn waarop de bodemplaat is bevestigd.

20. In alle klassen is een normaal functionerende achteruitversnelling verplicht.

21. De deelnemende voertuigen dienen aan voor- en achterzijde voorzien te zijn van een sleepoog met een minimale binnendiameter van 6 cm.

22. Een stoflicht met zowel links als rechts hiervan een remlicht is verplicht voor alle klassen. Deze lichten (type mistlamp) met elk een oppervlakte van tenminste 60 cm2 waarbij de zijkanten niet worden meegeteld, moeten op een hoogte geplaatst zijn van minimaal 115 cm en maximaal 150 cm boven de grond en voorzien zijn van minimaal een 21W lamp of een lampunit met minimaal 40 LED's. Zodra de auto zich op de baan bevindt, moet het stoflicht branden. Zulks op straffe van artikel 25.C. Dit stoflicht moet ook blijven branden wanneer de deelnemer om welke reden dan ook, op de baan uitvalt. Dit stoflicht dient derhalve buiten de hoofdstroomschakelaar om, aan en uitgezet kunnen worden. Het zicht op de remlichten en het stoflicht mag nimmer belemmerd worden door spoilers, carburateurs of carrosseriedelen e.d.

23. Auto’s en/of deelnemers die voldoen aan de terzake relevante FIA reglementen, zijn automatisch vrijgesteld van alle punten binnen het KNAF reglement die in strijd zijn met de FIA regelgeving. Uitzondering hierop vormen de ruiten die te allen tijde verwijderd moeten worden. De betreffende auto dient desondanks aan het door de FIA bepaalde minimum gewicht te voldoen. Op verzoek van de daartoe bevoegde officials is de deelnemer verplicht het voorgaande aan te tonen door middel van overleggen FIA wagenpaspoort.

24. Cabriolet is niet toegestaan.

 

Art. 17 VEILIGHEID BESTUURDER

Voor elke bestuurder gelden de volgende verplichtingen:

• Hij moet een goed vastgemaakte helm dragen die is voorzien van het ECE 2205 keurmerk (geldig tot 2010) of hoger, of een FIA-goedgekeurde helm

• Hij moet gekleed zijn in een brandwerende overall.

• Hij moet een gezichtsscherm of stofbril dragen voor het geval een gat in de afscherming geslagen wordt.

• Hij moet een nekband van brandwerend materiaal dragen.

KLASSE-INDELING

Ten aanzien van de toepassing van een turbo, compressor en roterende zuigermotor geldt een vermenigvuldigingsfactor van 1.4. Ten aanzien van de reglementair voorgeschreven maximum cilinderinhoud is een tolerantie toegestaan van

(+) 1,5 %.

 

 

Art. 18 STANDAARDKLASSE

Onder Standaardklasse wordt verstaan dat het type auto door de fabrikant standaard en in normale serie geleverd moet zijn en aan de Nederlandse wettelijke bepalingen voldoet. Bijgehomologeerde delen of onderdelen zijn niet toegestaan. Alle niet speciaal in dit reglement genoemde delen of onderdelen dienen standaard en onbewerkt te blijven. Indien in deze klasse wordt deelgenomen met een auto die niet aan dit reglement voldoet, kan de deelnemer verplicht worden gedurende de rest van het lopende seizoen in de Toerwagenklasse uit te komen. Naast de bepalingen in Art. 16 is het onderstaande van toepassing:

1. MOTOR

a. De maximale cilinderinhoud mag niet meer dan 2000 cc bedragen.

b. De originele motor moet op de originele plaats aangebracht worden middels de originele bevestigingen. Het is toegestaan de motorophanging te verstevigen.

c. Wagens met motoren voorzien van enige vorm van drukvulling zijn niet toegestaan.

d. Er mogen geen grotere, andere of meerdere carburateurs aangebracht worden.

e. De cilinderkop en motorblok moeten volledig standaard zijn (inwendige wijzigingen zijn niet toegestaan).

f. Op het motorvermogen is een tolerantie van 10% toegestaan.

g. Het polijsten van enig motoronderdeel is ten strengste verboden.

h. Voor auto’s die standaard zijn voorzien van ECU dient de kabelboom van het motormanagementsysteem geheel origineel te blijven (er mogen geen schakelaars of onderbrekingen aangebracht worden). Sensoren, connectors, verbindingen en ECU dienen origineel te zijn van desbetreffende merk, type en uitvoering en mogen op geen enkele wijze aangepast of gewijzigd zijn.

i. Het originele motornummer/code en het versnellingsbaknummer/code moeten duidelijk zichtbaar zijn door omlijning met gele verf. Deze nummers mogen op geen enkele wijze gewijzigd en/of verwijderd worden .

j. De oliehuishouding van de motor moet standaard zijn, maar mag aangevuld worden met een oliekoeler (dus geen dry sump smering o.i.d.)

k. Het uitlaatsysteem mag ingekort of verlengd worden met dien verstande dat de dempers en het uitlaatspruitstuk origineel en behouden dienen te blijven. De uitlaat dient origineel op de demper aangebracht te worden.

l. Het luchtfilter is vrij, binnen het motorcompartiment

m.De startmotor moet te allen tijde aanwezig zijn en op elk moment in werking gesteld kunnen worden.

2. CARROSSERIE

a. Motor en versnellingsbak dienen bij de originele carrosserie te horen.

b. Van spatborden mag niet meer worden weggehaald dan 5 cm. breder dan voor de veerweg van de binnenzijde van de band benodigd is.

c. Het is toegestaan om de wielophanging te verstevigen.

d. Bij VW Kevers is het verwijderen van de bandenbak tot aan ten hoogste de vooras toegestaan.

e. De deuren, waaronder tevens begrepen eventuele derde of vijfde deuren, waarmee de auto van fabriekswege is uitgerust mogen niet verwijderd worden. De deur aan de bestuurderszijde dient te worden dichtgelast en moet worden aangepast conform art. 21.2, met dien verstande dat de originele deur als uitgangspunt moet blijven dienen. Op heuphoogte aan de bestuurderszijde dient een dwarspijp in lengterichting van de deur bevestigd te worden die aan dezelfde materiaaleisen dient te voldoen als de kooiconstructie.(zie tekening 253.7)

f. Buiten en binnen bumpers mogen niet verstevigd of verwijderd worden.

g. Mits de binnen bumper deel uit maakt van de carrosserie mag deze verstevigd worden (alleen a/d binnenzijde).

h. Uitwendige bescherming van de carrosserie is niet toegestaan, inwendige verstevigingen wel.

i. Schokdempers en de vering mogen vervangen, c.q. aangepast worden mits van de originele bevestigingspunten gebruik wordt gemaakt.

j. Alle lampen moeten verwijderd worden, waarbij de dan ontstane openingen minimaal dichtgemaakt moeten worden met gaas met een maaswijdte zoals is omschreven in art. 16.8.

k. Stuuroverbrenging en bediening, wielophanging en wiellocatie (reactiearmen, Panhardstaven e.d.) moeten standaard zijn. Geen spoor- of wielverbreders. Spoorstangen mogen verzwaard worden.

l. Er mag een grotere radiateur aangebracht worden. Indien deze verplaatst wordt naar buiten het motorcompartiment, mag deze uitsluitend achter de bestuurdersstoel worden geplaatst, maar buiten het bestuurderscompartiment (zie artikel 16.9) en dienen leidingen en koelers afgeschermd te worden middels een gesloten metalen plaat tot minimaal de bovenzijde van de koeler en tevens d.m.v. een horizontale plaat over en ter grootte van de koeler en reservoir. Met in achtname van het hiervoor vermelde is de plaats en wijze van koeling van de radiateur vrij.

3. OVERIGE

a. Versnellingsbak en differentieel moeten standaard zijn. De eindoverbrenging moet veneens standaard zijn. Het is verboden een sperdifferentieel in wat voor vorm dan ook, te gebruiken

b. De bestuurdersstoel mag vervangen worden conform art. 16.13.

c. Banden met een maximale profieldiepte van 1 cm. zijn toegestaan. Niet toegestaan is het gebruik van blok- of noppenbanden. Onder blok- of noppenband wordt verstaan een band waar al dan niet middels vulkaniseren een fabrieksmatig vervaardigd noppenprofiel op is aangebracht.

d. Men dient 2 passende velgen met bijbehorende maat wegbanden, zoals door de importeur geleverd, te allen tijde ter beschikking te hebben i.v.m. nacontrole op een vermogenstestbank.

 

Art. 19 TOERWAGEN KLASSE

1. a. Toegelaten zijn alle door de officiële Nederlandse importeur standaard en in normale serie geleverde auto’s (met een minimum registratie van 500 stuks) echter met een maximaal kentekengewicht van 1500 kg.

b. De originele carrosserie dient kompleet behouden te blijven met uitzondering van de veranderingen die vallen onder het artikel “Aanpassen Carrosserie”.

c. De deuren, waaronder tevens begrepen eventuele derde of vijfde deuren waarmee de auto van fabriekswege is uitgerust, mogen niet verwijderd worden. De deur aan de bestuurderszijde mag worden dichtgelast en moet, indien dichtgelast, worden aangepast conform art. 21.2, met dien verstande dat de originele deur als uitgangspunt moet blijven dienen. Op heuphoogte aan de bestuurderszijde dient een dwarspijp in de lengterichting van de deur bevestigd te worden welke van dezelfde kwaliteit en diameter is als de kooiconstructie. (zie tek. 253-7)

d. Het is toegestaan de motor- en wielophanging te verstevigen. Uitwendige bescherming van de carrosserie is zowel voor als achter niet toegestaan, inwendige versteviging wel.

2. De stuurslotinrichting moet verwijderd worden, sierstrips, antennes e.d. moeten verwijderd worden.

3. Bumpers dienen compleet behouden te blijven en met originele steunen op de originele manier bevestigd te worden en mogen op geen enkele manier versterkt of aangepast worden.

4. Alle lampen moeten verwijderd worden, waarbij de dan ontstane openingen minimaal dichtgemaakt moeten worden met gaas met een maaswijdte zoals is omschreven in artikel 16.8.

5. Het is toegestaan spoilers, side skirts, e.d. aan te brengen; mits deze binnen de contouren (die zijn ontstaan na verbreding bedoeld onder art. 19.7) van de carrosserie blijven. (Zie tekening 291a/B/C)

6. De koeler is vrij alsmede de plaats met dien verstande dat de koeler nimmer in de passagiersruimte mag zitten en dat de ruimte waarin de koeler zich bevindt afgeschermd moet worden conform art.

18 lid 3 van de Standaardklasse. Koelbuizen mogen door de bestuurdersruimte lopen, mits deze uit één stuk zijn van een metaal en volledig afgeschermd zijn. Ten behoeve van de aanvoer van koellucht mogen er in de carrosserie openingen worden gemaakt. Het totale oppervlakte van deze openingen mag nimmer meer zijn dan 2x 600 cm2. Ten behoeve van de afvoer van koellucht mag de achterklep maximaal 20cm opengezet worden (mits deugdelijk bevestigd), óf een opening van maximaal 2x 600 cm2 in de achterzijde van het achterpaneel of achterklep gemaakt worden echter alleen wanneer dit geen verzwakking van de constructie ten gevolg heeft en er geen delen welke een dragende functie hebben worden verwijderd. Op de motorkap mag t.b.v. afvoer van koellucht een rooster aangebracht worden ter hoogte van de voorruit van voornoemde afmetingen, welke een maximale hoogte mag hebben van 6 cm vanaf de motorkap gemeten.

7. De carrosserie mag op geen enkele manier verlengd, ingekort, verbreed of versmald worden, met uitzondering van de spatborden. Deze mogen door aanpassing c.q. door het aanbrengen van verbreders ieder maximaal 15 cm verbreed worden en de originele spatbordrand mag maximaal 10 cm verhoogd worden t.b.v. de veerweg. (Zie tekening 292) Het restant van het spatbord dient van originele afkomst te zijn. Enkel de verbreding mag van een andere samenstelling zijn. Daar waar de carrosserie aangepast moet worden i.v.m. het ombouwen naar vierwielaandrijving, het monteren van een andere motor of versnellingsbak, het verplaatsen van de koeler e.d. dient dit te geschieden binnen de afmetingen zoals tekening 293 laat zien. Voor auto's met een chassis (bijvoorbeeld Kever) behoren de voor en de achteras tot het chassis. Samen met hun opbouw vormen ze de carrosserie (bij de Kever bedoelen we de torsieassen). Het volledige interieur is vrij en mag dus verwijderd worden. Dit betreft alleen de gemonteerde interieurdelen, gelaste delen moeten behouden blijven. Onnodige brandbare delen moeten verwijderd worden. De bestuurdersstoel dient zich compleet links of rechts van de lengteas van de auto te bevinden. Originele stoel bevestigingsrails welke gelast zijn, als ook scherp uitstekende plaatwerkdelen welke een gevaar opleveren voor de bestuurder mogen verwijderd worden.

8. De motor is vrij mits het merk en het cilinder aantal corresponderen met de carrosserie. Indien de motor verplaatst c.q. gedraaid wordt, moet de motor in zijn originele compartiment blijven. Daar waar het compartiment aangepast moet worden mag dit binnen de afmetingen zoals afgebeeld op tekening 293. Het monteren van een tweede motor of meer is niet toegestaan.

9. Benzine-, olie en koelwaterreservoirs en het uitlaatsysteem dienen middels een brandwerend, lekvrij schot van het bestuurderscompartiment gescheiden te zijn. Dit geldt ook voor de benzinetank t.a.v. het motorcompartiment en het uitlaatsysteem en moet dusdanig geconstrueerd zijn, dat er nimmer gevaar voor de deelnemer kan optreden. Het originele schutbord c.q. achterpaneel dient behouden te blijven en mag alleen toegankelijk gemaakt worden voor doorvoer van slangen, koelbuizen, uitlaat e.d. Ten behoeve van de toegankelijkheid van mechanische componenten mag er in het schutbord een demontabele plaat van het originele schutbord materiaal gemaakt worden van maximaal 55x50cm (zie tekening 293) mits deze deugdelijk bevestigd is.

10. De wielophanging is vrij, met dien verstande dat de originele ophangpunten behouden blijven. Het aantal hiervan te gebruiken ophangpunten is vrij (de bevestigingspunten mogen ook gebruikt worden om een subframe te maken waaraan draagarmen gemonteerd kunnen worden.). Ter controle hiervan zal te allen tijde de originele ophanging weer gemonteerd moeten kunnen worden. Er mogen geen nieuwe ophangpunten van draagarmen of schokdempers aan de carrosserie gecreëerd worden. Aan het nieuw ontstane subframe mag ter versteviging wel een bevestiging naar de carrosserie gemaakt worden. Onder wielophanging wordt alles verstaan wat vanaf de carrosserie naar het wiel toegaat. Schokbrekers zijn zowel in soort als aantal vrij. Hier geldt dat de originele bevestigingspunten aan de carrosserie gebruikt dienen te worden en dat te allen tijde de originele schokbrekers weer gemonteerd moeten kunnen worden. (Men mag dus wel willekeurige ophangpunten aan het nieuw ontstane subframe maken.) De wielmaat c.q. bandenmaat is vrij, mits de wielen NIET buiten de contouren van de carrosserie steken in hun normale rechtuit positie.

11. De versnellingsbak is vrij, wijziging naar vierwiel aandrijving is toegestaan.

12. De uitlaat is vrij, met dien verstande dat deze binnen c.q. onder de auto blijft en aan de achterzijde of zijkant onder het brandschot van de auto horizontaal eindigt. De uitlaat mag nimmer via een voorportier de auto verlaten. De uitlaat mag niet door de bestuurdersruimte lopen.

 

Art. 20 EISEN KEVERKLASSE 1600

1. In deze klasse zijn alle wagens voorzien van een originele stalen VW Kever carrosserie met standaard chassis en originele bodemplaat, incl. de bevestigingsgaten waarop de carrosserie gemonteerd is geweest. Op de bodemplaat moet minimaal een stalen hoekprofiel van 50/50/4 mm of een kokerprofiel van 50/50/2 mm. dik gemonteerd worden waarop de rolkooi bevestigd moet worden. Ter hoogte van het midden van de auto dient een dwarspijp, ook wel instapbuis genoemd, in de lengterichting van de deur bevestigd te worden die aan dezelfde materiaaleisen dient te voldoen als de kooiconstructie.(zie tekening 253.7)

2. Alleen ten behoeve van de motorophanging mag het chassis aangepast worden. Het is toegestaan de voorzijde tot aan de vooras in te korten en ook motor- c.q. radiateurbescherming is toegestaan, mits het silhouet van de wagen behouden blijft. Indien de portieren worden verwijderd, dient vervangend metaal van minimaal 1,5 mm. dik gebruikt te worden. Het dak en de zij-achterkant dient origineel te blijven. Het achterraamroostertje mag vervallen. De maximale cilinderinhoud is 1600cc, evenals vier cilinders. De motor dient op de originele plaats gemonteerd te zijn.

3. De motor dient afgeschermd te worden door onbrandbaar materiaal, zie artikel 16.9.

4. De koeling is vrij, mag dus aangepast worden.

5. Carburateur: Maximaal één 40 mm. gasklepdiameter en doorlaat (geen gasschuif). Benzine-injectie en drukvulling zijn verboden.

6. Het verlagen van de carrosserie is toegestaan. De instapopening aan beide zijden moet een afmeting hebben van 45 cm hoog en 75 cm breed. De hoogte van het bestuurderscompartiment van vloer tot dak minimaal 95 cm zijn ter hoogte van de bestuurdersplaats, echter de minimale ruimte tussen helm en dakplaat moet 5 cm zijn.

7. De wagens moeten voorzien zijn van een gescheiden remsysteem. De remwerking mag op geen enkele wijze uitschakelbaar zijn.

8. De vooras moet geheel origineel blijven (ook het materiaal) met uitzondering van het veerpakket in de vooras waarvan het aantal veren vrij is. Er mag een torsie-asversteller gemonteerd worden. De buitenste steunlagers in de torsie-as t.b.v. de draagarmen mogen door ander materiaal vervangen worden. Draagarmen inclusief kogels dienen origineel te blijven. Fusee moet origineel blijven met uitzondering van het remklauwbevestigingspunt, de spoorstangarm (Pitmanarm) en de fuseeastaplagermaten. De schokdemperbevestigingspunten dienen geheel origineel te blijven, in plaats van het bovenste originele rubber mag een unibalkogel gemonteerd worden, welke in de hartlijn van de originele steun gemonteerd dient te worden. Het stuurhuis en de spoorstangen zijn vrij. De voorwiellagerhuizen en remmen zijn vrij.

9. Ten behoeve van de achterwielophanging moeten de originele ophangpunten gebruikt worden, zo ook de originele draagarmen (deze mogen verstevigd worden). De schokdempersteun aan de draagarm mag verwijderd worden. De originele wielbasis moet behouden blijven (= 240 cm met en tolerantie van + of – 1,5 cm). Bij het pendelas type auto wordt de pendelasbuitenpijp vanaf de geleidingstrechter tot en met de ankerplaatbevestiging als draagarm gezien. Remschijven en remklauwen zijn vrij.

10. De achterafsteuning dient te geschieden volgens annex J artikel 253 punt 8.2.2.3. De achterafsteuning mag ook bevestigd worden aan de tussenplaat tussen motor en versnellingsbak. De bevestigingsplaten zoals omschreven in annex J artikel 253 punt 8.2.2.3. kunnen hiermede vervallen.

11. De stof- en remlichten dienen op het achterrek gemonteerd te worden.

12. De tunnel van de originele bodemplaat mag t.b.v. het verplaatsen van het schakelmechanisme gewijzigd worden. De torsie-as buitenpijp en de draagarmophangpunten worden als deel van de bodemplaat gezien en dienen derhalve origineel (standaard) te zijn. De schokdemperpunten op de torsie-asbuitenpijp mogen verwijderd worden. De versterkingsdriehoek aan de tunnel tussen vooras en schutbord mag verwijderd.

13. Er dient een versteviging aangebracht te worden tussen carrosserie en vooras (volgens tekening 294), van een buis of koker van een minimale dikte van 20 x 3 (buis) of 20 x 20 x 3 (koker)

14. Aan de bestuurderszijde dient een versteviging aangebracht te worden vanaf de rolkooi tot aan de voorzijde waar de benen en voeten van de bestuurder zich bevinden (volgens tekening 295) van een buis of koker van minimale dikte van 20 x 3 (buis) of 20 x 20 x 3 (koker).

15. Schokdemper en schokdemperbevestigingspunten zijn vrij op de achteras.

 

Art. 21 EISEN SPRINTERKLASSE 1600

1. In deze klasse rijden uitsluitend wagens met carrosserieën welke niet in serie zijn vervaardigd doch speciaal voor de autocross zijn ontworpen en waarvan het silhouet geen gelijkenis vertoont met een in serie vervaardigde auto (dit. i.t.t. art. 20.1).

2. De instapopening aan beide zijden moet een afmeting hebben van 45 cm. hoog en 75 cm. breed. De hoogte van het bestuurderscompartiment moet zodanig zijn dat de ruimte tussen de helm van de bestuurder en het dak minimaal 5 cm. is. De breedte onder minimaal 80 cm. en boven minimaal 50 cm. De rolkooi zoals in artikel 16.1. omschreven moet zijn vervaardigd van dikwandig buis met een minimale doorsnede van 38 mm. en voorzien van voldoende dwarsverbindingsbuizen. Alle constructies ter beveiliging en afscherming dienen van ronde buis te worden vervaardigd van min. 28 tot 33 mm. met een afrondingsstraal van minimaal 10 cm. De instapopening aan twee zijden moet voorzien zijn van gaasafscherming met openingen van maximaal 4 cm. Deze constructie moet zowel van binnen als van buitenuit bediend kunnen worden. De afscherming tussen bestuurderscompartiment, radiateur en motor moet geheel afgesloten zijn.

3. De maximale cilinderinhoud is 1600 cc.

4. Wagens met motoren voorzien van enige vorm van drukvulling zijn niet toegestaan.

5. In deze klasse moet een stalen dakplaat (minimaal 0,8 mm dik) aan de bovenzijde van de rolkooi worden gelast of er moet vanuit de hoeken van de rolkooi een kruis worden gelast van een ronde buis (minimaaal 25x2,0 mm staal) waarop de metalen dakplaat mag worden vastgeschroefd.

 

Art. 22 EISEN SPRINTERKLASSE 2000

1. In deze klasse rijden alle auto’s die niet aan de voorwaarden voldoen, gesteld bij Keverklasse 1600 alsmede wagens met carrosserieën welke niet in serie zijn vervaardigd doch speciaal voor de autocross zijn ontworpen.

2. Als Sprinterklasse 1600, (zie art. 21.2, 21.4 en 21.5) Auto’s welke qua chassis gebaseerd zijn op de Kever klasse 1600, dienen ook aan de veiligheidseisen van deze klasse te voldoen. (zie art.20)

3. Maximale cilinderinhoud 2000cc.

 

Art. 23 EISEN SUPERKLASSE

Als Sprinterklasse 2000, echter zonder beperking t.a.v. de cilinderinhoud en het aantal aangedreven wielen. Iedere vorm van drukvulling is toegestaan.

 

Tekeningen

 

 

 

 HOME